blog

Gescheiden, altijd in de winkel meegewerkt. Recht op geld?

Branche & Bedrijf 245

Echtscheidingen komen steeds vaker voor, natuurlijk ook onder supermarktondernemers. En juist bij supermarktondernemers komt hier nogal wat bij kijken, zeker als het echtpaar gewend was samen te werken in de winkel. Wie gaat met de winkel verder? En de ander dan? Moet die op zoek naar een andere baan? En wat is de winkel eigenlijk waard? Moet degene die vertrekt een vergoeding krijgen? Een blog van Anje Slootweg.

Gescheiden, altijd in de winkel meegewerkt. Recht op geld?

In de praktijk komen echtgenoten er meestal wel uit wie van de echtgenoten de supermarkt blijft exploiteren. Er is vaak toch wel één van de echtgenoten die het exploiteren van een supermarkt na aan het hart ligt, terwijl de ander meer in de ‘meewerkende’ rol zat.

Wat is de winkel waard?

Veel lastiger te beantwoorden zijn echter de vragen rond de waarde van de supermarkt. Wanneer sprake is van een huwelijk in gemeenschap van goederen, moet immers 50% van de waarde van de onderneming worden uitbetaald aan de andere echtgenoot. Veelal hebben supermarktondernemers huwelijkse voorwaarden, maar ook daar vloeit regelmatig uit voort dat een deel van de waarde of de volledige waarde van de onderneming moet worden verrekend.

Huwelijkse voorwaarden onder koude uitsluiting

Uitzondering op deze regel zijn de huwelijkse voorwaarden waarin is uitgegaan van de zogeheten ‘koude uitsluiting’. Dit betekent dat het vermogen van de beide echtgenoten volledig gescheiden blijft en dat er geen enkele verplichting ontstaat tot het verrekenen van vermogen, dus ook niet van de waarde van de winkel. Die situatie wil ik graag wat nader voor het voetlicht brengen door middel van een concrete situatieschets.

Scheiding supermarktondernemers Astrid en Tom

Tom heeft een eigen Albert Heijn in de vorm van een BV. Hij is in 2001 getrouwd met Astrid. Er zijn huwelijkse voorwaarden opgemaakt onder koude uitsluiting. De aandelen staan op naam van Tom. Beide echtgenoten hebben altijd samen in het bedrijf gewerkt. Tom stuurde de winkel aan, Astrid zat achter de kassa. In 2018 besluiten Astrid en Tom te gaan scheiden. Astrid vindt dat zij recht heeft op een deel van de waarde van het bedrijf. Tom daarentegen wijst op de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. De aandelen staan op zijn naam. Er is geen verplichting tot enige verrekening, dus voor de onderneming krijgt Astrid niets. Astrid kan zich hier absoluut niet in vinden en zij schakelt een eigen advocaat in die de zaak aan de rechtbank voorlegt.

Astrid stelt zich bij de rechtbank op het standpunt dat zij recht heeft op een vergoeding voor de werkzaamheden die zij altijd in de winkel van Tom heeft verricht. Zij stelt kortweg dat zij een arbeidsovereenkomst had, en dat daarom sprake is van achterstallig loon. Op grond van de CAO Levensmiddelen maakt zij een inschatting van het door haar gemiste salaris. Zij schat dit op een bedrag van € 125.000. Daarnaast stelt Astrid dat, als er geen arbeidsovereenkomst is, Tom ten onrechte is verrijkt door haar werkzaamheden (ongerechtvaardigde verrijking genoemd in de wet).

Tom geeft in zijn reactie aan dat Astrid inderdaad werkzaamheden heeft verricht, maar dat zeker geen sprake was van een arbeidsovereenkomst en dus ook niet van loon. Ook zou geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Astrid is allang beloond, doordat ze altijd heeft kunnen leven van zijn inkomsten. Tom geeft aan dat de echtgenoten hier samen goed van hebben kunnen leven.

Wat zegt de rechter?

Over een casus die sprekend lijkt op de bovenstaande had de Rechtbank Midden – Nederland op 3 juni 2014 te oordelen. De rechtbank komt tot de slotsom dat de ‘Astrid’ in die casus het nakijken heeft. Van een arbeidsovereenkomst kan geen sprake zijn als er geen vergoeding is overeengekomen. Astrid kan dan niet achteraf alsnog een vergoeding vorderen. Daarnaast staat vast dat Tom altijd alle kosten van het gezin heeft betaald. Tom blijkt zelfs nog schulden voor Astrid te hebben afgelost. Al met al vindt de rechter dat Astrid de werkzaamheden heeft verricht in het kader van de op haar rustende verzorgingsplicht. Daartegenover stond dat Tom ook voor haar zorgde. Dit maakt dat er van een verrijking van Tom ten onrechte dus ook geen sprake is. De conclusie is dat Tom zijn onderneming kan voortzetten zonder dat hij voor de waarde van die onderneming hoeft te betalen. Vermoedelijk zal hij wel kinder- en partneralimentatie moeten betalen.

Auteur: Anje Slootweg, advocaat bij BVD Advocaten

Reageer op dit artikel